Meer over de Landschappen

(klik op de foto’s om te vergroten)

Bloemrijke dijken

De ophaalbrug komt uit op het pad langs de ‘bloemrijke dijken’. De dijken rondom Zoetermeer waren decennia lang overwegend groen. Dat had onder meer te maken met een maaibeleid dat lange tijd gebruikelijk was. Op de bloemrijke dijken in de Natuur- en Landschappentuin zijn van het voorjaar tot de vroege herfst volop bloeiende bloemen en kruiden te zien. Afhankelijk van het seizoen zijn dat onder andere pinksterbloemen, gele ratelaars, moerasspirea, margrieten en vooral op het veld tussen de dijk en het water fraaie orchideeënsoorten.
De dijken, oevers en velden worden pas gemaaid als de bloemen en kruiden zijn uitgebloeid en hun zaden op de grond zijn gevallen zodat ze de volgende jaren weer opkomen.

Bij de aanleg ruim 45 jaar geleden is in de Natuur- en Landschappentuin ook een klein veengebied met veenplas gecreëerd. Ooit bestond een groot deel van onze streek namelijk uit veen, een dikke laag van verteerde bladeren en planten. Tot steenkool zijn intrede deed, werd het veen eeuwen lang afgegraven. Het gedroogde veen was als turf de belangrijkste brandstof, zowel in huizen als in bedrijven en in de 19e eeuw de industrie. Als gevolg daarvan is het veen is hier nu goeddeels verdwenen of in gebruik als veenweide. Het veen voor de veenplas (en het terrassenlandschap) werd daarom uit Duitsland gehaald.

Door verschillende oorzaken ontwikkelde de veenvegetatie zich minder succesvol dan men bij aanleg hoopte. Dat had verschillende oorzaken, onder meer dat in Zoetermeer de waterkwaliteit niet ideaal is voor typische veenplanten. Toch proberen we in en rond de veenplas weer specifieke veenflora terug te krijgen. Zo groeien in de plas al lisdodde, grote boterbloem en waterdrieblad en op de oever onder andere wateraardbei, engelwortel en penningkruid. Daarnaast is een experiment gestart met veenmos. Veenmos is een typische vegetatie voor een veengebied, waarop zich veenpluis, waternavel, tormentil, dophei, glidkruid, moerashertshooi en moerasviooltje kunnen ontwikkelen.

In de veenplas is ook het zogeheten verlandingsproces waar te nemen: water dat geleidelijk overwoekerd raakt door riet en op de lange duur droogvalt.

Een terrassenlandschap is zeker niet specifiek voor deze omgeving. Hooguit zou van terrasvorming sprake geweest kunnen zijn in de tijden waarin het veen werd afgegraven en van hogere naar steeds lagere niveaus trapsgewijs ‘terrassen’ ontstonden. De reden waarom in de Natuur- en Landschappentuin een terrassenlandschap werd aangelegd, is van praktische aard.

Tussen de hoge sloot achter het terrassenlandschap en het lager gelegen water tussen de terrassen en de ‘bloemrijke dijken’, is het hoogteverschil twee meter.  Om dat hoogteverschil te overbruggen heeft men terrassen aangelegd waardoor een stroompje het water geleidelijk omlaag voert totdat het uitkomt in het lager gelegen water.

Het terrassenlandschap bestaat uit veengrond en is, net als de grond rond de veenplas, zompig. Het herinnert aan het veenmoeras in vroeger tijden. Wie er in zou lopen, zakt tot boven zijn enkels in het zachte veen en komt er alleen met veel moeite weer uit, zonder schoenen of laarzen die achterblijven in de zuigende veengrond.

Gagel, engelwortel, dotterbloemen en kattenstaart voelen zich thuis in de vochtige veengrond van het terrassenlandschap.

Het insectenveld is ingezaaid met een mengsel van zaden van voor insecten aantrekkelijke planten en kruiden. Het wordt jaarlijks in twee fasen gemaaid, steeds in enkele brede, meanderende banen, zodat de insecten hun leefgebied behouden. Door het maaien in de vorm van paden is er ook een beter zicht op wat er tussen de planten en kruiden bloeit en leeft dan vanaf de zijkant van het veld. Behalve twee grote insectenhotels liggen in het insectenveld ook twee insectenheuvels voor insecten die in de aarde een veilige plek vinden.

Tussen de verschillende landschappen zijn bosranden en struwelen – groepen struiken – gesitueerd, met onder meer berken, wilgen, eiken en essen en meidoorns. Ze verfraaien het gebied, maar vormen vanzelfsprekend ook een biotoop voor vogels, varens, mossen en paddenstoelen.

Naast de afgebrokkelde muren van een boerderijtje – dat hier overigens niet echt gestaan heeft – ligt een kleine boomgaard met oude hoogstam appel- en perenbomen. Op de twee akkertjes werd oorspronkelijk een mengsel gezaaid van zomer- en wintergraan en akkerplanten, zoals korenbloemen. Door de groei van de omliggende bomen, kregen de akkertjes geleidelijk niet voldoende licht om dit zadenmengsel goed te laten gedijen. Nu staan op het ene akkertje vaste planten die het goed doen op de grond van zeeklei en die aantrekkelijk zijn voor insecten. Het andere wordt ingezaaid met mengsels voor wilde planten. Tegenover de akkertjes, aan de andere kant van het stenen pad, ligt een klein stinsenveld. Stinsenplanten zijn verwilderende, in het voorjaar bloeiende bol,-, knol- en wortelplanten, zoals sneeuwklokjes, krokussen en bosanemonen. De naam stinsenveld is afkomstig van Friese stinsen: grote huizen van edelen en patriciërs. Stinsenvelden werden ook buiten Friesland populair.

De griend ligt langs het water dat de grens vormt met het Westerpark. Een griend is een wilgenplantage waarvan de takken eenmaal per drie à vier jaar werden gesnoeid. ook in de Natuur- en Landschappentuin gebeurt dat. Grienden werden in vroeger tijd aangelegd op stukken land die te nat waren om te bebouwen of vee op te laten grazen. Maar omdat de wilg het uitstekend doet op dergelijk land, was het toch bruikbaar, omdat gesnoeide wilgentakken voor de boeren een bron van inkomsten waren. Tot in de 20e eeuw werden ze onder andere gebruikt voor het maken van stelen van hamers en bezems en voor oeverbeschoeiing. Door de opkomst van goedkope kunststof en massaproductie, zakte de vraag naar wilgenhout in en verdwenen de grienden halverwege de vorige eeuw goeddeels uit het landschap. In Zuid-Holland zijn nu nog grote grienden te vinden in de Biesbosch en bij Rhoon.

Rondom Zoetermeer waren de laatste tweehonderd jaar geen grienden van enige omvang te vinden. Na het droogleggen van meren, zoals de Meerpolder bij Zoetermeer, leende het land zich uitstekend voor akkerbouw en veehouderij. Dat was voor boeren profijtelijker dan wilgenteelt. Of in de eeuwen voor de periode van de droogmakerijen in deze omgeving wellicht kleine grienden te vinden waren, is niet bekend. Inmiddels neemt de belangstelling voor gesnoeid wilgenhout weer toe, onder meer als milieuvriendelijk materiaal voor oeverbeschoeiing.

Grienden zijn uitermate geliefd bij een groot aantal insecten, wat bijzonder gunstig is voor de biodiversiteit. Hoe meer insecten en hoe meer verschillende soorten insecten, hoe meer bestuiving plaatsvindt, hoe groter het aantal bloeiende planten en kruiden.   

In de griend van de Natuur- en Landschappentuin zijn bij de aanleg zeven soorten wilgen geplant.

De polder is het laagstgelegen deel van de Natuur- en Landschappentuin. Het is een plek waar bij het onderzoek van het Taxonproject [doorklikmogelijkheid maken?]  een keur aan, soms ook zeldzame, insecten werd aangetroffen. De polder wordt jaarlijks fasegewijs, in banen gemaaid, om de aanwezige fauna voldoende tijd te geven om zich te handhaven.

In de polders bevonden zich vroeger vaak pest- en geriefbosjes. In een pestbosje werden dieren begraven die aan een besmettelijke ziekte waren overleden. Ze werden door een sloot omringd, om het vee er uit de buurt te houden. Al voor de Tweede Wereldoorlog werd het verboden dieren op het land te begraven, waardoor pestbosjes geleidelijk uit het landschap verdwenen.

Geriefbosjes waren bosjes met bomen als wilg, es en zwarte els. De boeren kapten er hout om stelen voor hun gereedschap te maken of voor gebruik als brandhout. Door de verkrijgbaarheid van betaalbare gereedschappen hebben ook deze ooit kenmerkende landschapselementen hun functie verloren, waardoor ze geleidelijk uit het landschap verdwenen. In met midden van de polder wordt als specifiek historisch landschapskenmerk een geriefbosje gecreëerd.

Wie de polder vanaf de kant van de griend nadert, komt uit bij de twee weidemolentjes. Vroeger waren weidemolentjes een vertrouwd beeld in de polders rond Zoetermeer. Boeren gebruikten ze om de waterstand van hun land te regelen, om het geschikt te houden als weide of bouwland. Sinds de waterschappen de waterstanden regelen, mogen weidemolens niet meer geplaatst worden. Ze zijn in de polders rondom Zoetermeer dan ook vrijwel verdwenen en de enkele die er nog staan, zijn niet meer in gebruik. In de Natuur- en Landschappentuin pompten de weidemolens aanvankelijk het water van het laagste niveau op naar de twee meter hoger gelegen sloot. Uiteindelijk bleek het niet mogelijk om met de molentjes het water in de Natuur- en Landschappentuin op voldoende niveau te houden. Het waterniveau wordt geregeld met een elektrische pomp. De molentjes zijn nu van belang als landschapshistorisch kenmerkende elementen van het agrarisch gebied.  

Tussen de polder en het water dat de grens met het Westerpark vormt, bevindt zich een rietveld. Riet had en heeft ook tegenwoordig, zij het nog in zeer beperkte mate, een functie als dakbedekking. De helft werd door rietwerkers met speciaal handgereedschap gemaaid. Die manier van maaien was nodig om het riet in de juiste grootte te kunnen gebruiken als dakbedekking. Tegenwoordig maaien we ook het rietveld in brede, enigszins slingerende banen om dieren een goede broed- en verblijfplaats te bieden.

Het watersysteem in de Natuur- en Landschappentuin functioneert als een klein waterschap met stuwtjes, overlopen en een pomp die het water uit een lager naar een hoger niveau opbrengt. Het niveau van de watergangen verschilt zo’n twee meter in hoogte.  Is het waterniveau te laag, dan wordt water uit het Westerpark naar de Natuur- en Landschappentuin gepompt. Is het waterniveau te hoog, dan gaat een hoeveelheid in omgekeerde richting. Dit eigen watersysteem is bij het ontwerp van de tuin afgestemd op de verschillende landschapstypen en bijbehorende begroeiing. Veengrond bijvoorbeeld moet permanent vochtig blijven, de polder daarentegen niet.